Ik was een jaar of elf en mijn vader was met wat vrienden aan het huis aan het werk. Tussen de middag aten ze dan hun lunch aan de eettafel in de woonkamer. Gezellig, want die bouwvakkers zijn zo gek als een deur. Geen serieus woord wordt er gesproken.
Tegen het einde van de lunch vroeg mijn moeder of ik een pakje shag voor haar wilde gaan halen. Daarvoor moest ik altijd naar de Formule Shop, naast de Albert Schweitserbrug.
Ik trok mijn jas aan om te gaan, toen een van de vrienden van mijn vader zei: ‘Neem gelijk een doosje Animo voor me mee.’
‘Oké, geef maar geld,’ zei ik gelijk, zonder vragen te stellen.
Hij gaf me vijf gulden mee.
In de winkel stond een vrouw van tegen de dertig, die op mijn aanvraag het pakje shag pakte, wat je in die tijd als elfjarige gewoon nog mee kreeg. Daarna vroeg ik haar om een doosje Animo.
Ze draaide zich weer om naar de wand met rookwaren, maar pakte uiteindelijk niets.
Vragend keek ze me aan.
‘Hoe heette het?’
‘Animo.’
Ze keek nog eens goed, maar haalde toen haar schouders naar me op.
‘Volgens mij hebben we dat niet. Wat is het precies?’
Ik moest toegeven dat ik dat eigenlijk ook niet wist.
Toen ik bij thuiskomst vertelde dat het niet gelukt was met de Animo, lachten de mannen.
Ik stak de vijf gulden naar de man uit, maar hij wilde er niets van weten.
‘Houd maar,’ zei hij.
‘Maar wat is Animo dan?’ vroeg ik. Ik begreep er nog steeds niks van.
‘Animo betekent zin,’ zei hij. ‘Ik heb geen zin meer om te werken.’
Af en toe denk ik nog eens aan dat doosje Animo. Het zou toch best handig zijn als je dat gewoon in de winkel kon kopen.